zondag 15 september 2013

Jan Piet op 90-jarige leeftijd
Levensloop van Jan Piet,
grootvader van Cornelis ‘de minister’


Jan Piet is een illustere voorvader, die vooral herinnerd wordt om zijn fikse nageslacht en rijkdom. Over zijn veelbewogen leven zou je een boek kunnen schrijven...

Het gezin waarin Jan Piet wordt geboren
Jan Piet, geboren in 1810 op Diek 10, is het eerste zoontje van Pieter Janszn. Witte, bijgenaamd ‘de kuiper’[1] en Diewertje Dirksd Dijt dat in leven blijft. Zijn ouders krijgen acht kinderen. De eerste twee zoontjes leefden slechts twee, resp één jaar. Ze heetten beiden Jan Pietersz. Witte. Als na drie meisjes weer een jongetje wordt geboren, heet deze opnieuw Jan, roepnaam Jan Piet. Nadat Diewertje in 1821 weduwe is geworden, koopt zij Maria’s hoeve aan de Westerweg en gaat daar wonen met haar vier nog levende kinderen. 

Huwelijken en kinderen
Jan Piet is uit stevig hout gesneden. Hij wordt 94 jaar en overleeft vier echtgenotes, met wie hij in totaal 21 kinderen krijgt. Met zijn eerste vrouw Guurtje Zijm woont hij vanaf 1835 (25 jaar oud) weer op Diek 10, in het gedeelte waar hij is geboren[2] . In april 1836 sterft Guurtje echter in het kraambed. Anderhalf jaar later treedt Jan Piet, weduwnaar met een zoontje, in het huwelijk met Antje IJsbrandsd. Metselaar.  Met haar woont hij vanaf 1843 op St Jozef (Westerweg 45). Tussen haar 23e en 44e jaar (ze overlijdt in 1858 op Hermanshoeve), baart zij tien kinderen.
Jan Piet vindt na het overlijden van Antje binnen een half jaar opnieuw een vrouw, die maar liefst29 jaar jonger is dan hij. Met haar krijgt hij drie kinderen, waarvan er slechts één blijft leven. Deze vrouw, Antje Jacobsd. Huisman, overlijdt in 1864, slechts 25 jaar oud, op Hermanshoeve. Nog dat zelfde jaar trouwt hij met zijn vierde en laatste vrouw,  Neeltje Dijt, met wie hij nog eens zeven kinderen krijgt. Neeltje overlijdt op 46-jarige leeftijd in Everstekoog.

Handel en wandel van Jan-Piet
Jan Piet neemt als 19-jarige de bedrijfsvoering op zich van zijn moeders boerderij Maria’s hoeve. Aanvankelijk kijkt hij de kunst af van zijn moeder, die de veestapel geleidelijk liet groeien. Zo weten we dat Diewertje in 1823 vijf koeien, een schet (een jonge koe) en dertig schapen bezit. Twee jaar later heeft zij drie koeien, 75 schapen en een paard. Staande op eigen benen bouwt Jan Piet vanaf zijn twintiger jaren een eigen boerenimperium en groeit hij uit tot grootgrondbezitter[4]

In 1845 koopt hij voor 4000 gulden[5] Hermanshoeve aan de Rozendijk. Daarvóór huurde hij St Jozef, destijds ‘het gesticht’ en de ‘oude school’ genoemd. Hij woont op Diek 10[6], maar verhuist volgens de overlevering van zijn zoon Reijer[7] in 1840 al naar Hermanshoeve. Misschien vergiste Reijer zich een jaartje of vijf?

In als byzonder zyn wort hier bewaard
Het was 1840- 20 maart
Toen vader zaliger (Jan Piet) moest verhuize naar Hermanshoef
Toen was het ook al schoppe troef
Het vroor toen noch zoo alle dagen
Dat de aardappels bevroze op de wagen
En het was nog erg glad
Je viel haast op je gat
Een paard viel op zyn bek
En kreeg een bloed piek wat stond het gek
En voor de kinder was het te koud op de wagen
Die moesten lopen of je moest ze dragen


In 1854 koopt hij Vredelust aan de Californieweg voor 8000,-; hij verhuurt het.
In 1868 koopt hij het boerderijtje Dorpsstraat 2 in de Koog, om dit vijf jaar later aan zijn zoon IJsbrand door te verkopen.
In 1869 koopt hij de Duinroos aan het Gerritslanderdijkje om de boerderij een jaar later weer te verkopen.
In 1876 laat hij Zandvrucht aan de Rozendijk bouwen. Zijn zoon Jacob gaat er wonen.
In 1884 koopt hij HoornenBurg, Molwerk 20 (hij is inmiddels 74 jaar!) en twee jaar later Bergland aan de Tempeliersweg. Een jaar later verkoopt hij deze boerderij.

Over HoornenBurg rijmt zoon Reijer:
En toen ik 9 was kocht de ouw baas
Voor zyn jongste zoontje een Boereplaas
Het was Hoorn en Burg toen wel bekent
Daar was ik dagelyks prezent
Ik moest zoo zie al by de knechte
Of zy niet waare aan het vechte

De neergang
Op zijn hoogtepunt bezit Jan Piet vijf boerderijen en 124 ha land[8] . Vanaf het uitbreken van de landbouwcrisis in 1887 / 1888 gaan de zaken echter  hard bergafwaarts. Jan Piet staat borg[9] voor zijn zoon Dirk die in 1871 land heeft gekocht aan de Postweg en een jaar later een huis heeft laten bouwen: het nieuwe Blandenberg. Dirk overlijdt echter in 1887 en om de schulden te kunnen voldoen, moet Jan Piet eigen bezit verkopen – op een volslagen ongunstig moment. Verkoping vindt plaats in logement ‘de Zwaan’.

Notaris Coninck Westenberg laat in de Texelse Courant van 22 november 1888 in een ‘Bericht van inzet’ weten dat ‘de aan den heer Jan Pz Witte toebehoorende goederen hebben op woensdag 21 november jl. bij opbieding opgebracht: 
9/12[10] gedeelte in:
1.      De hofstede Vredelust met 39 hectaren 96 aren bouw- wei- en hooiland                    f1525,-
2.      De hofstede Hermanshoeve met 23 hectaren 19 aren 13 cent.                                       f 5100,-
3.      De westelijke helft in Zamenland groot voor het geheel 1 hectare 85 are 40 cent.  f 115,-
4.      Weiland hoekstuk groot 2 hectaren 52 aren 50 cent.                                                           f 520,-
5.      Weiland Simon Kikkertsland groot 1 hectare 16 aren 80 cent.                                          f 260,-
6.      Bosch logmansbosch groot 9 aren 40 cent.                                                                              f  11,-
7.      Weiland 500 groot 89 aren 80 cent.                                                                                            f 500,-
8.      Weiland kleine Ezen groot 63 aren 80 cent.                                                                             f  55,-
9.      Weiland Ongeren groot 1 hectare127 aren 50 cent.                                                           f 230,-
Het geheel:
10.    Huis en erf en weiland Zandvrucht groot 67 are 14 cent.                                                   f 210,-
11.    Weiland Groot Ezen groot 1 hectare 98 are en 1 cent.                                                      f 410,-
12.    Weiland Kikkertslandgroot 40 aren                                                                                            f  62,-
                                                                                                                                                                       f 8998,-.
‘De afslag en eindtoewijzing is bepaald op woensdag 28 november 1888 in het logement De Zwaan aan den Burg des morgens ten 10 uur.’

Ook Blandenberg (van Dirk) en HoornenBurg (van Reyer) verwisselen van eigenaar. Het Boerderijenboek rept in totaal van 72 hectare land dat voor ¾ deel wordt verkocht.
Daags voor kerst houdt Jan Piet boelhuis in Hoornenburg; vier koeschetters, een paard, dertig schapen en tien enterlingen worden te koop aangeboden, evenals twee wagens en twee driewielder karren.

Rijkdom volgens geïnde belastingen
Dat Jan Piet in vermogen een flinke stap terugdoet, daarvan getuigen de opeenvolgende jaargangen van het ‘Kahier van den Hoofdenlijken Omslag der Gemeente Texel, jaren 1886 t/m 1892. In deze schriften is jaarlijks de gemeentelijke boekhouding van geïnde belastingen bijgehouden. Gemeten aan de hoogte van de opgelegde belastingen, bekleedde Jan Piet in 1887 de 21e plaats op de ranglijst van rijkste Texelaars. Hij betaalde dat jaar f84,-. Zijn zoon Dirk (de vader van Cornelis ‘de minister’) betaalde f16,50. Ook in 1888 betaalde Jan Piet nog f84,- aan belasting, maar in het jaar erop was dit f16,- en in 1892 nog slechts f10,-. Ter vergelijking: de rijkste tien inwoners betalen dan f100,-  of meer. De rijkste (Cornelis Keijser) is dat jaar goed voor f350,- aan belastinggeld.

Nog één keer nieuwbouw
Jan Piet, inmiddels ruim 8o+, trekt zich in 1895 met zijn ongehuwde zoon Reijer terug op Welgelegen, in de Kogerstraat.  Alhoewel hij niet meer tot de rijkste mannen van het eiland behoort, is hij ook niet armlastig. In 1900, 90 jaar oud, laat hij Maria-hoeve[11] aan de Kogerweg bouwen en gaat er wonen met Reijer. In 1905 overlijdt hij. Slechts vijf van zijn kinderen zijn dan nog in leven, plus vele klein- en achterkleinkinderen.

In memoriam
In de Nieuwe Texelsche Courant[12] van 31 mei 1905 wordt een in memoriam geplaatst dat zeer bondig verhaalt over het veelbewogen leven van ‘de oudste inwoner van Texel’.
‘Tot in hooge leeftijd was hr. Witte, niettegenstaande zijn rijk bewogen en diepbeproefd leven, een krassen grijsaard. Jaren lang was hij beëdigd taxateur van landerijen enz. Ook was deze werkzame man eenige jaren dijkgraaf van den Polder Waal en Burg, lid van het R.K. Armbestuur en van meer dergelijke instellingen, een bewijs, dat het leven van den heer Witte ook voor de maatschappij niet tevergeefs was. Hij ruste in vrede!’





[1] De kuiper was een bijnaam, die refereerde aan de achternaam van zijn oma.
[2] Diek 10 werd vanaf 1804 door twee gezinnen bewoond. Orgaan van Stichting tot behoud van historisch erfgoed, ‘’t is mooi weest’ 13e jaargang nr 2 , december 2012.
[3] Volgens de geschreven overlevering van Gouk Witte, kleindochter van Dirk, broer van Cornelis. Ook Wilma Eelman verwijst in ‘Verhalen over Texelse schapenboeten’ naar een dijkdoorbraak in 1825, waardoor de Hemmer tussen Den Hoorn en Den Burg veranderde in een binnenzee.
[4] Volgens de veetelling van 1857 bezat Jan Piet (40 jaar oud) drie ruinen en een veulen, vijf ossen, vier koeien, twaalf kalveren en een stier, en 242 schapen die hij liet grazen op eigen landerijen. Bron: Boerderijenboek deel 2, pag 578.
[5] ‘t is mooi geweest, 13e jaargang, nr 2, december 2012
[6] Aldus het boerderijboek. Het artikel in ’t is mooi geweest zegt dat hij op st Jozef woonde.
[7] Afschrift van Reijers gedichten, gedateerd jan. 1963, ondertekend door ‘C.M. Bakker Diek 21 Den Hoorn. In bezit van Irene Maas.
[8] Wat betreft het aantal ha: ‘t is mooi geweest, 13e jaargang, nr 2, december 2012
[9] In memoriam Jan Pieter Witte
[10] De Haagse notaris Eelman wordt volgens het Boerderijboek (pagina 827) eigenaar van de andere 9/12 deel en koopt tevens veel grond op.
[11] Genoemd naar zijn dochter Maria, 1868 – 1936.
[12] De Nieuwe Texelsche Courant bestond van ± 1895 tot 1929 naast de Texelse Courant. Hij werd uitgegeven door de familie Reij uit de Warmoesstraat en werd veel gelezen door katholieken. 
TE KOOP:  GEGALVANISEERDE EMMERS En TOBBES van klein tot groot.

De Kleine Bazar in de Warmoesstraat was net geopend, en Cornelis Witte alias de minister timmerde aan de weg met advertenties in de Texelse Courant.


Op 14 mei 1908 adverteerde hij als volgt :

Opnieuw ontvangen:
Een mooie sorteering
Speelgoederen,
als Kruiwagens, Duwpaarden, Hobbelpaar-
den, Paardjes en Wagentjes, Houten en
IJzeren schopjes, Poppen met metalen kop,
van verschillende groote, Ledikantjes enz.
In de Kleine Bazar.
Aanbevelend,
Warmoesstraat                   C.Witte Dz.


Dit is een advertentie van 17 mei 1908:

In de Kleine Bazar  
Is ruime sorteering in
beste zware geëmailleerde
Roomemmers en Melkemmers,
In wit, grijs, blauw en marmer, van 6 tot
40 maatjes inhoud.
Geëmailleerde kook- en braadpannen
Beste KOOKSTELLEN (Haller)
van een- tot 4-pits,
Theepotten, koffiepotten en waterketels
Van verschillende grootte en kleur.
Tevens GEGALVANISEERDE EMMERS
En TOBBES van klein tot groot.
Ook verschillende soorten BLIKWERK,
Best zwaar, als Broodtrommels, Emmers,
Doofpotten, Parapluiestandaards, enz.,
 alsmede verschillende soorten HOUTWA-
REN, als boterbakken, Boterlepels, Boter-
Spanen en stempels. Tevens de echte
Deensche boterkleur, Halve en heele fles-
schen. Verder groote en kleine inmaak-
en roompotten, steenen pannen en schalen.
Matjes, Kleden en Karpetten
               van verschillende groote en prijzen.
Voorts verschillende Huishoudelijke en
Luxe-Artikelen.
Beleefd aanbevelend
Warmoesstraat.  C. Witte Dxz



‘De kleine koopman!’
De minister komt met zijn ventwagen in Oudeschild

De minister kwam één of tweewekelijks – op maandag - op het buurtje in Oudeschild waar Jaap Bakker als kind woonde. Jaap kwam altijd in de kar kijken, want het statige ministertje had ook zaken bij zich waar een kleine jongen van droomde. “Zijn kettenwagentje parkeerde hij in de straat,” herinnert Jaap zich.  “Iedereen wist dat hij er was, want hij kondigde zich altijd aan: eerst met een viertonig, gefloten deuntje, dan riep hij ‘de kleine koopman!’ en vervolgens somde hij op wat hij bij zich had: ‘wasknijpers, potten, schuurpapier, lampenpitten, kopjes…’” Ver kwam hij daarbij nooit, want de mare van zijn komst verspreidde zich snel en de vrouwen kwamen het huis uit om hun inkopen te doen.

De minister, op zijn paasbest, +/- 1948
In zijn lange zwarte jas met versleten bontkraagje, onafscheidelijke hoed en brilletje op de smalle neus was de minister een bekende figuur. Ook zijn kar met een verbazingwekkend assortiment aan huishoudelijk artikelen, vormde een vertrouwd straatbeeld. Tientallen kleine artikelen waren zorgvuldig opgeborgen, andere, minder kwetsbare zaken hingen aan de zijkanten. “Als hij ermee door een knip (een kuil in de weg) reed, had hij wel voor duzend gulden schade!,” veronderstelden zijn klanten. Jaap Bakker herinnert zich met name de blikken trommel waar de minister altijd op zat met de teugels van de ket in de hand. “In de trommel zaten de ploffertjes in mooie ronde doosjes.” In wit geschilderde kisten, met een glasplaat bedekt, lagen waxinelichtjes, kijkglaasjes voor petroleumstellen, aardewerk en weckflessen met ringen. “Rijk kon de minister er onmogelijk van worden,” zegt Jaap, terugkijkend. “De ploffertjes verkocht hij voor 3 cent per doosje…”

Jaap was betoverd door de Herder zakmessen uit Solingen, die naast de scharen onder glas lagen. “Als je daarover begon… Ik stond er als jongen altijd naar te kijken en dat had hij dan door – dat vond hij wel prachtig.” Voor 75 cent was zo’n mes de jouwe. En wie ‘een schaar van de minister’ had, liet daarmee blijken oog voor kwaliteit te hebben.

Jaap Bakker vermeldt in een verhaal dat hij in het ‘Dorpsblad Oudeschild’ publiceerde: “Bij bakker De Ruiter ruilde Witte meestal in natura voor koek die hij dan bij zijn nichtje Marrie[1] van Piet Boom nuttigde met een bakje koffie[2].”






[1] Marrie was de dochter van Cornelis’ oudste broer Jan Witte
[2] Over winkeltjes en kroegjes – nostalgische wandelingen door ons dorp van Weleer. Deel 8 door J.j. Bakker Jll: D.S. Bakker. April 1980. Dorpsblad Oudeschild.

Drie Witte’s die zich minister mochten noemen

Niet alleen de Texelse Cornelis Witte werd minister genoemd. Wie zoekt op internet vindt er nog twee.

Minister onder de tsaar
De Russische graaf Sergei Witte (1849 – 1915) staat te boek als een zeer invloedrijk beleidsmaker in de regeringen van de laatste twee tsaren. In de jaren ’80 van de 19e eeuw, waarin de Witte’s op Texel geld en goederen verloren in de landbouwcrisis, rijst zijn ster in de Russische spoorwegindustrie en in de regering. In 1892 wordt hij benoemd tot minister van Financiën, wat hij elf jaar blijft. Gedurende die jaren zet hij vaart achter de bouw van de Trans-Siberië spoorlijn. Ook stimuleert hij de opleiding van spoorwegpersoneel. Zijn hoogste ambtelijke functie was die van voorzitter van de raad van ministers van Rusland onder tsaar Nicolaas II.
De graaf stamde af van Duitse Lutheranen (oorspronkelijk Nederlands) die in de Baltische staten leefden (Estland, Letland en Litouwen).

KVP-minister in jaren vijftig
Een andere Witte die het tot minister schopte was Herman Bernard Jan Witte (geboren in Harlingen in 1909). Deze Witte was van oorsprong waterstaatkundig ingenieur en directeur van gemeentewerken in Bergen op Zoom. Direct na de 2e Wereldoorlog werd hij er burgemeester. Hij was KVP-minister van Volkshuisvesting in de jaren vijftig, en nog eens kort in de jaren zestig. Daarna werd hij burgemeester van Eindhoven.

Minister van potten en pannen
De derde ‘minister’ is de onze. Cornelis Dirkzn Witte werd zijn hele volwassen leven met deze bijnaam aangeduid. Er zijn verschillende verhalen in omloop over het ontstaan van deze toch lang niet slechte bijnaam. Algehele strekking: Cornelis verdiende zijn bijnaam door zijn voorkomen en dankbaar geaccepteerde schrijfvaardigheid.


Wiegende afwasborstels

Het winkelhuis aan de Warmoesstraat ging omstreeks 1960 tegen de vlakte. Geen dag te vroeg, getuige een speciale herinnering van Klaas Smidt, slijter in Den Burg. 

We hadden niets te doen...
“Het moet ergens in ’53 of ’54 zijn geweest,” zegt Klaas. “Ik was een jaar of twaalf. Ik had met twee vriendjes afgesproken op de hoek van de Zwaanstraat/Warmoesstraat- waar later Leijdekkers en nu restaurant De Luwte is gevestigd. Terwijl we met z’n tweeën stonden te wachten op de laatste man, zagen we je opa uit de winkel komen. Tussen de Oranjeboom en de winkel bevond zich een steeg, en daar verdween je opa in, gewapend met een trapje. We hadden niets bijzonders te doen, dus keken we zo’n beetje wat hij ging doen. Hij klapte het trapje uit, klom erop en legde een scheefliggende dakpan recht. Tot zover: geen spektakel. Je opa was tevreden met het resultaat, klom weer naar beneden en stapte de steeg uit. Toen gebeurde het, en het was als een koddige filmscène: direct achter de oude man, het trappetje onder zijn arm, kwam met donderend geraas het halve pannendak naar beneden.”

Vrij uitzicht
Toen de stofwolk optrok, werden de verbijsterde jongens getrakteerd op nóg een onvergetelijk schouwspel: de onbeschoten kap zonder pannen bood vrij uitzicht op zemenlappen, sponzen en afwasborstels, die zachtjes slingerden aan hun haakjes; ritmisch gedirigeerd door de wind. “Jaren later,” besluit Klaas, “als wij elkaar tegenkwamen in het café, begroetten we elkaar met zachtjes wuivende handen, En wíj wisten dan waar dat op sloeg: wiegende afwasborstels onder een pannenloos dak.”


woensdag 11 september 2013

De Kleine Bazar
“Je kon het zo gek niet bedenken, of hij had het”

Meteen aan het begin van de Warmoesstraat, op nummer 3, bevond zich het winkel-woonhuis van Cornelis Witte, bijgenaamd ‘de mininster’. Hoog, over de hele breedte van de gevel stond trots uitgeschreven: DE KLEINE BAZAR. Een lage stoep van gele steentjes leidde naar de winkeldeur, met op het bovenraam de naam van eigenaar: C. WITTE.


Meteen links stond de toonbank, met Kneelie er achter
Kneelie
Als je de deur van de winkel openduwde, riep het klingelbelletje dochter Kneelie naar voren. In afwachting van klanten zat zij ‘achter’ bij de kachel, kousen te breien. Over de mee verende plankenvloer, die – allesbehalve waterpas – naar achteren wat afliep, wandelde je dan een wereld van zo’n 30 m² huishoudelijke artikelen binnen.  Alles wat Witte op zijn kar had, vond je ook in de winkel - en meer. Kleine meisjes die voor een boodschap werden gestuurd, bogen als vanzelf meteen linksaf. Daar stond de toonbank, met onder glas de rozenkransen en zilveren ringetjes in doosjes. Corrie Bakker-Buisman (1933) uit de Weststraat herinnert zich: “Als Kneel in een goede bui was, mocht je er een paar passen. Tot ze het genoeg vond. Dan zei ze: ‘En nou maar weer eruit’.” 

De koopwaar
Frans en Hans poseren op de kettenwagen
Aangezien de minister geen ‘nee’ verkocht, was elke centimeter van de winkel benut. Rondom was de koopwaar uitgestald op planken aan de muur en op de vloer. Rondkijkend vond de klant stapels zinken emmers, zwabbers,  boenders, pannensponzen, zemenlappen, knijpers, pitten voor petroleumstellen, veters en vele andere nuttige zaken. Bolletjes touw (in verschillende formaten!) hingen op ooghoogte voor de winkeldeur – die kon je alvast niet vergeten. “Je kon het zo gek niet bedenken, of hij had het,” zegt mevrouw Bakker. “Heel veel kleine waar.” Rechts stond in een soort kamertje al het ‘diggelenwerk’: serviezen en schalen, potten en emaillen, grijsgewolkte pannen. Een stukje verderop strekten porseleinen heiligen hun armen zegenend uit naar de klanten, terwijl aan de muur wijwaterbakjes en Bijbelse prenten op een koper wachtten. Die waren er! “Met hoogtijdagen als eerste communie en vormsel had Kneelie het er druk mee; dan verkocht ze het ene ‘schilderij’ na het andere,” aldus Wim ‘Hoekie’ van Heerwaarden (1933). Zakjes kamfer, voorloper van mottenballen, vulden de winkel met een fris aroma. Jan Hansz. herinnert zich de geur én het karweitje van het vullen .

Speelgoed
En dan het speelgoed; een complete generatie heeft er mooie herinneringen aan.  Poppen, doosjes met kralen, legpuzzels, knikkers (die zó naar de andere kant van de winkel rolden als je er één liet vallen) en klappertjes in een rond doosje; ook zonder boodschap gingen de Texelse kinderen graag even bij Witte naar binnen. Jaap Bakker uit Oudeschild (1932) dicht de minister het eilandmonopolie toe op de kleurige, ijzeren autootjes die je met een veer kon opwinden: “Alléén bij Witte kon je ze kopen!” Twee kleinzoons van de minister, Kees (1934) en Martien (1940) (Franszn), herinneren zich een praktisch klusje tijdens het bezoek op zondag: “We repareerden kapotte exemplaren. Daarna gingen ze hup, weer de winkel in.”

Klantgericht
Boven de smalle etalage aan de rechterkant van de deur stonden de uit de kluiten gewassen lampetkannen niet in de weg, wel mooi te kijk. Kneelie had oog voor wat de klant door het jaar heen wenste en paste de etalage daarop aan. Naderde de zondag van het heilig vormsel? Bijbelse prenten brachten passanten op een toepasselijk cadeau-idee.

Bestelling ligt klaar!
Weer buiten op de gele stoepsteentjes zag je, als je goed oplette, drie ijzeren steunen loodrecht op de gevel, ter hoogte van de bovenkant van de winkelramen. Daaraan bungelden soms bordjes met het opschrift ‘de Cocksdorp’, ‘Oosterend’ en ‘Den Hoorn’ . Het was een signaal voor de vrachtrijders dat er in de Kleine Bazar een bestelling klaar lag om te worden opgepikt – het bordje gaf aan voor welk dorp.

Sloop
De (bijna) laatste uitbaters van Warmoesstraat 3 waren oom Hans en tante Trees. Met hun jongens Wim, Cees en Jan woonden ze in het naastgelegen huis van 1950 tot 1956. In 1956 verhuisden ze naar Weverstraat 36. Het winkelhuis in de Warmoesstraat werd nog tot 1960 gebruikt door opticien Cor Leijdekkers, en werd daarna opgekocht en afgebroken door de Boerenleenbank. Leijdekkers verhuisde naar het hoekpand, waarin nu restaurant De Luwte is gevestigd. Warmoesstraat 5 ging in 1975 onder de sloophamer[2].






[2] Aldus Piet Zoetelief, die er woonde van 1965 tot 1969.

Warmoesstraat 5: het huis naast de winkel

In of net voor 1908 kopen Cornelis en Engel Mathilda het winkelhuis in de Warmoesstraat 3. De aankoopakte is helaas verloren gegaan, maar de eerste kleine advertenties in de Texelse Courant dateren van mei 1908.

Beetje deftig…
Warmoesstraat 3 voldeed geheel aan Cornelis’ en Engel Mathilda’s wensen, Het had een winkel aan de straatkant en een achterhuis om in te wonen. In de loop der jaren barstte het winkelhuis echter uit zijn voegen. Het gezin was gegroeid tot negen kinderen en de winkel behoefde voorraad. Toen in 1930 de familie Hin genegen was het naastliggende huis aan Witte te verhuren, zal hij niet lang geaarzeld hebben, ondanks de bijzondere voorwaarden, waarover verderop meer. Het huis zag er netjes, misschien zelfs een beetje deftig uit, met hoge ramen naast een donkergroen geschilderde voordeur.  De stoep was tenminste aan één kant afgeschermd met een halfrond ijzeren hek, en voor de deur stond een fiere boom. De schaduw van zijn takken voorkwam dat meubels en behang in de woonkamer zouden verschieten in de zon[1].  De voormalige woonkamer van het winkelhuis deed voortaan dienst als voorraadruimte. Kees en Martien (Fransz.) weten nog dat Kneelie (tante Corrie) er sokken stopte, in afwachting van clientèle. Boven de winkel sliepen de jongens. De meiden sliepen in het woonhuis. Klinkt logisch…

…maar zonder wc
Straatbeeld uit pakweg 1948. Voor nr 5 is de ijzeren stoep-
afscheiding dan al weg. Door de oorlog?
“Een lange gang,” is wat Kees en Martien Fransz., maar ook Wim, Cees en Jan (Hansz.) zich als eerste herinneren van het woonhuis. Daar hing ook de telefoon, met doorkiesnummer 79. Er was een voorkamer en een achterkamer, gescheiden door schuifdeuren. Voorheen was daar een alkoof met een bedstee. Kees en Martien (Franszn): “De vloer liep er wat af, net als in de winkel.” De huizen waren er licht aflopend gebouwd, met de lagere achterzijde aan de burgwal. In het verlengde van de gang bevond zich de keuken.  In het huis op nr 5 leidde, vanuit de gang, een steile trap naar boven. Zó steil, dat de latere kleinkinderen er niet op mochten. Boven waren twee ruime slaapkamers. Precies boven de voormalige alkoof bevond zich een glazen plaatje dat je kon verwijderen; het diende voor toevoer van frisse lucht in de voormalige bedstee. Willem (Hansz.) moet nog lachen bij de herinnering: “Dat glazen plaatje was voor kinderen – want natuurlijk waren we daar tóch - heel interessant; je kon ongemerkt de kamer inkijken en alles horen wat bij een verjaardag, met alle ooms en tantes in de huiskamer, werd gezegd. Tot Cees er een keer doorheen donderde; toen was het af.” De voorkamer was ingericht met een eettafel, een secretaire en een rooktafel met twee stoelen. Hij werd  gebruikt bij speciale gelegenheden; als de pastoor kwam, bijvoorbeeld. Het gewone leven speelde zich ‘achter’ af. Achter het huis leidden trappetjes naar de verlaging van de burgwal. Vanaf een beun – een houten vlonder – ging je naar beneden en kon je achterom weer in de winkel komen.  In het verste hoekje van de tuin stond een houten gebouwtje- de plee. Eén maal per week kwam de boldootkar langs, waarin de stinkende inhoud van de volle emmers werd geleegd. “Uren later rook je nóg dat hij was langsgekomen,” zeggen getuigen.

Koffie en koek voor de familie Hin
Warmoesstraat 5 was eigendom van Jaap Hin, grootvader van Riet die trouwde met Martien Michielz. uit Den Hoorn “Het huis werd verhuurd onder bepaalde voorwaarden, die los stonden van de huur” vertelt Willem (Hansz). “Op zondagochtend, na de kerk, kwam de familie Hin er koffie drinken mét koek; oma regelde dat. De voorkamer was dan spik en span, en de jongere kinderen waren uit de buurt en stil, tot de familie Hin in hun sjees weer naar de respectievelijke boerderijen vertrok.” Oma nam vanzelfsprekend de vaat voor haar rekening.






[1] Boerenbouwkunst op Texel, 2010, 319
Bijvullen van de wagen:
De buurtkinderen waren er als de kippen bij

Verschillende ouderen op het eiland herinneren zich ‘de minister’ als een aardig personage uit hun jeugd: soms een beetje bijzonder, en gek op zijn paardje. Ze mochten een stukje meerijden, hielpen met klusjes en lieten zich in de maling nemen.

Tot aan de schuur
Corrie Bakker-Buisman (1933) was de dochter van meester Buisman die van 1928 tot 1955 op de Jozefschool voor de klas stond. Het gezin met vijf kinderen woonde in de Weststraat.
Als Cornelis op het eind van de middag door de Weststraat reed, mochten de kinderen die daar speelden een stukje met hem meerijden achterop de kar. “Tot aan de schuur,” zegt mevrouw Bakker. “Dan gingen de grote deuren open en werd het paardje uitgespannen. Dat stond later aan de andere kant van de schuur op stal.” De wagen ging de grote schuur in, waar Cornelis orde op zaken stelde. Aan twee kanten scharnierden kleppen open waaronder alle kleine waar netjes en beschermd tegen de regen  was opgeborgen. “Je kon er omheen lopen,” zegt mevrouw Bakker. “Als de kleppen ophoog waren, kon je precies zien wat er allemaal onder lag. Ook waar Witte zat, had hij bergruimte.”

Bijvullen voor de volgende dag
Vóór de minister naar huis ging voor het avondeten, vulde hij de kar bij voor de volgende dag: wat was verkocht? Voor wie moest hij een bestelling meenemen, een grote pan bijvoorbeeld? “Als kinderen mochten we wel eens helpen. Sommige spullen lagen opgeslagen in de schuur, maar andere lagen in de winkel. Die haalde hij daar op.”

Bordjes afstoffen
“In de schuur stonden voorraden,” herinnert ook Nelie van de Wetering-Barhorst (1934) zich. “Vierkante kisten die door de beurtschipper waren aangevoerd, met bordjes, kopjes en schoteltjes in het stro. We mochten helpen met afstoffen, want de bordjes die naar de winkel gingen of meegingen op de wagen, daar mocht geen stro meer op zitten. Of we veegden de schuur. Geloof het of niet, maar dat vonden wij leuk.”

“Kom maar op!”
In 1969 ging de schuur van opa Cornelis, naast het
huis aan de Hollewal, tegen de vlakte. De fotograaf vond
de brommer tegen de boom eigenlijk interessanter...
Mevrouw Van de Wetering woonde als klein meisje met haar ouders aan de Hollewalseweg. In de tijd dat Cornelis nog dagelijks uit venten ging, haalde hij ’s ochtends zijn wagen en ket. Zo rond een uur of 9 ging hij dan op pad. Daar was ze als de kippen bij. “Waarschijnlijk was het in de vakanties,” zegt ze. “Hoefde ik (nog) niet naar school. Als kind rende ik naar buiten als ik hem zag aankomen: “Heb je nog wat te doen?” vroeg ik dan. “Kom maar op!” zei je opa. “De kar had twee wielen en voor het inspannen van de ket moesten de twee naar voren stekende balken naar beneden worden getrokken. Daar hielpen ik en andere kinderen dan mee.  Ik geloof niet dat het paardje een naam had. Je opa zei gewoon: ‘de ket’.”

Woordspelletjes
“De minister was een beetje apart. Maar waarom?” peinst mevrouw Van de Wetering. “We vonden hem wel echt ‘een ministertje’. Als kind is het moeilijk te benoemen wat iemand nou bijzonder maakte. Wacht, daar schiet me iets te binnen: hij had woordspelletjes. Als je ging voor een aardappelschillertje dan kon hij wijzen en zeggen: ‘die kost 35 cent. En die daar 25 cent en een dubbeltje’. En dan kon je er ook nog over dubben welke je zou kiezen.”